Ik zie, ik zie wat jij ook ziet

Meneer?’

‘Hallo meneer?’

Voor mij in de rij bij de kassa in de supermarkt staat een man.

Ik zie dat hij dik is.

‘Meneer, u heeft wel wat kilo’s te veel aan uw lijf zitten’ zeg ik hem.

De man draait zich om en kijkt me verbaasd aan.

 

‘Heb je dat echt gezegd?’ denk jij nu vast. Nee, natuurlijk heb ik dat niet gezegd. Deze situatie heb ik compleet verzonnen, maar het is wel een soort situatie waar ik zelf regelmatig als ‘slachtoffer’ in terecht ben gekomen en die mij nog steeds overkomt. Nu heb ik zeker geen kilo te veel aan mijn lichaam, maar hoe vaak ben ik in mijn Pulmonale Hypertensie periode wel niet zelf door wildvreemden aangesproken op mijn paarsrode gezicht? Mijn rooddoorlopen ogen? Mijn door het vocht opgezette buik? Mijn paars gevlekte benen?

Door de nieuwe longen ziet de kleur van mijn lijf er bijna weer uit als dat van de meeste mensen, maar een gat van een tracheostoma ter hoogte van mijn keel en honderdduizend littekens lokken natuurlijk ook reacties uit.

Het is zó fijn wanneer een wildvreemde je in de supermarkt vertelt dat je een rood gezicht hebt, want je zou het die ochtend maar net hebben gemist in de spiegel.

Stel je nou toch voor dat je even was vergeten dat er een gat bij je keel zit, of die littekens van jezelf even over het hoofd had gezien toen je je eigen lijf weer eens goed bekeek.

 

Dat kinderen alles hardop benoemen wat ze opmerken, dat vind ik meer dan normaal en volstrekt acceptabel. Dat is de onschuldige eerlijkheid die ik altijd weet te waarderen. Hardop denkende volwassenen heb ik soms moeite mee. Wanneer ikzelf op straat loop zie ik verschillende mensen. En ja, ik zie ze ook hoor, mensen met brandwonden, mensen die één been missen, mensen die waarschijnlijk aan de chemo zitten, mensen met een hazenlip. Ik heb nog nooit de behoefte gevoeld om die mensen aan te spreken, want ik ga ervan uit dat al die mensen perfect op de hoogte zijn van hun eigen lichamelijke toestand. ‘Hé mevrouw, u mist een been’ zou ik dan bijvoorbeeld zeggen? En dan zou de aangesproken vrouw zoiets antwoorden als: ‘Oh joh, ja, verdomd als het niet waar is. Hoe kan dat nou, vanmorgen had ik ‘m nog’.

Het is zo leuk om andere mensen aan te spreken, tenminste, als je iets aardigs wilt vertellen.

Ik vind Spanjaarden altijd de beste complimentgevers. In Spanje geven zelfs wildvreemde vrouwen elkaar complimenten over hoe mooi ze eruitzien. Ik houd er zo van.

Iemand wijzen op een afwijking aan zijn of haar lichaam is niet nodig. Het is doelloos en vaak zelfs kwetsend. Mensen zien het zelf al vaak genoeg, je hoeft ze geen ‘reminder’ te geven.

En ja, uiteraard mag je van alles denken, als je jezelf maar voorhoudt dat je altijd álles mag denken, maar dat het niet altijd nodig is om alles hardop uit te spreken wat je denkt. Goed idee toch, knapperd?