De stad die een dorp werd

Ik kan niet meeklagen over thuiswerken, ik kan niet klagen over een baan die op de tocht staat,
ik kan niet klagen over kinderen die zich in huis vervelen, omdat ze wegens de maatregelen nergens naartoe kunnen. Over niet kunnen sporten kan ik ook niet klagen en zelfs niet over een man waarmee ik opgehokt zit.
Uiteraard kan ik als Nederlander ook wel een goed potje klagen. Zo kan ik bijvoorbeeld klagen over de zorg voor niet-Corona patiënten, die al vanaf maart echt bedroevend slecht en al die niet-Corona patiënten die ineens niet meer lijken te bestaan, omdat men zich massaal stort op dat ene virus. Maar Marlous zou Marlous niet zijn als ze niet kijkt naar wat er wél goed gaat. Dus dát is wat ik liever doe. En hoewel ik niet kan ontkennen dat er een hoop drama is ontstaan in de wereld om mij heen, kan ik, als ik naar mijn eigen leven kijk, ook niet ontkennen dat het voor mij wat voordelen heeft opgeleverd:

“Máááááárlous” hoor ik wanneer ik langs Café Kale loop.

Wanneer ik naar rechts kijk zie ik ze op het terras zitten; Willem, Roelien en Hilde, een paar van mijn overburen. Ik dacht nog even snel in de buurt een rondje te lopen met mijn hond, maar nu ik gespot ben door de buren kan ik niet zomaar doorlopen.

“De buurtcommissie is zo te zien weer lekker aan het vergaderen” roep ik terug na het zien van een tafel vol met gevulde wijnglazen en wat lege bierglazen.

“Schááát, hoe is het?” vraagt Willem mij, waarna Roelien meteen zegt: “Kom gezellig bij ons zitten”. Ik zie dat ze de tafels en stoelen op het terras wat verder uit elkaar hebben gezet en dat er voldoende afstand kan worden gehouden, dus ik durf het wel aan. “Ok, ik kom erbij zitten”.  “Wat staat die top je fantastisch” zegt Willem wanneer ik ga zitten. ”Deze roze kleur staat je echt perfect”. Terwijl ik mijn stoel nog iets verplaats, omdat ik de afstand tussen de buren en mij iets groter wil maken antwoord ik: “Dank je, dat zei Jessie vanmiddag ook al toen ik haar tegenkwam”, want tegenwoordig accepteer ik complimenten i.p.v. dat ik ze afsla. “Hoe was je vakantie naar Terschelling?” vraag ik aan Hilde.

“Heerlijk, ik ben echt tot rust gekomen. Jammer alleen dat ik via Tinder nauwelijks aanbod had, er zaten van heel Terschelling misschien maar drie mannen op Tinder”.

Ik moet lachen, want elke keer dat ik Hilde spreek is ze weer druk geweest met daten via haar Tinderapp. “Nou, dat hele Tinder is afschuwelijk” zegt Roelien “Ik krijg alleen maar berichten van rare types die een trio willen. Ik ga de app verwijderen. Als lesbische vrouw heb je nauwelijks keuze. Ik ga denk ik maar zelf een datingsite beginnen voor alleen maar lesbische vrouwen”. “Tinder lijkt me sowieso helemaal niets, ik moet er niet aan denken” zeg ik terwijl Roelien doorgaat over de datingsite. “Hé Willem, hoe regelde jij als homo dan mannen toen je jonger was?” vraagt de dertigjarige Hilde aan Willem die richting de tachtig gaat. “Ja meid, vroeger ging dat nogal makkelijk, want dan ging je gewoon naar de bosjes op het Frederiksplein en dan kon je zo iemand uitkiezen waarmee je seks ging hebben”. “Willem, je bedoelt eh, daar eh, gewoon daar in de bosjes?!’ vraag ik ietwat opgelaten. “Ja schat, dat waren me nog eens tijden”. Dat het gesprek met de overburen zo verloopt is geen uitzondering. Alles wordt altijd besproken en gêne bestaat niet bij mijn buren. Ik houd het zelf altijd beschaafd, maar ik vind het een genot om naar te luisteren. In korte tijd ben ik echt een beetje gaan houden van deze buren die het wonen hier voor mij de laatste tijd een stuk aangenamer hebben gemaakt.

 

“Marlous, heb jij eigenlijk mijn telefoonnummer wel?” vraagt Roelien mij ineens.

Terwijl ik denk: ‘Oh god, ze denkt toch niet dat ik op vrouwen val?’ zeg ik haar dat ik haar nummer niet heb. “Sla het dan nu even op, want dan kun je mij bellen of appen wanneer je mijn hulp kunt gebruiken”. “Als je een keer te moe bent om Tips uit te laten, niet lekker bent of niet naar de winkel durft, omdat het er te druk is en mensen geen afstand houden, dan moet je mij dat laten weten, want dan doe ik het allemaal zo voor je ”. Ik kijk Roelien aan en vertel haar meteen dat ik dit een superlief aanbod vind. Het ontroert me zelfs, omdat ik deze kant niet kende van de stoere Roelien.

“Beloof je dat je mij echt dat je om hulp vraagt als je het nodig hebt?” drukt ze mij op het hart “Je weet toch ook dat ik hondentherapeute ben, dus dat ik perfect voor Tips kan zorgen?”

“Ik beloof het, maar ik probeer altijd alles zelf te doen. Ik heb altijd moeite met hulp vragen, maar ik zal eraan denken” zeg ik haar.

“Maar ik meen het echt, dus ik wil dat je me mij belt als er wat is” antwoordt Roelien op bijna strenge wijze.

“Houd jij van koken?” gaat Roelien verder. “Ik vind koken wel leuk en ik doe het ook altijd, maar ik vind koken voor alleen mijzelf best een beetje saai” zeg ik haar.

“Weet je Marlous, ik heb een goed idee. Als ik een hekel heb aan koken en als jij het niet aandurft om naar de drukke supermarkt te gaan, dan kunnen we toch een deal sluiten?”

Terwijl ik eigenlijk al snap wat ze wil zeggen vraag ik voor de vorm: “En waar denk je aan?”

“Het is toch heel simpel? Jij appt mij steeds een boodschappenlijst, ik ga naar de winkel om de spullen te kopen en als jij kookt en mij dan een bord eten komt brengen, dan is het toch opgelost?”

“Roelien, ik vind het een supergoed idee” zeg ik.

“Hebben we een deal?” vraagt Roelien mij. “Ja Roelien, we hebben een fantastische deal”.

 

Op het moment dat Roelien haar arm in de lucht zwaait om mij een high five te geven kan ik nog net op tijd “Pas op” zeggen om aan te geven dat we elkaar geen high five kunnen geven. Omdat ik mezelf ineens enorm contactgestoord vind zeg ik meteen “Kom, we maken er een high five op afstand van”. Met een lookalike high five maken we de deal officieel.

En op dat moment kom ik erachter; het is dus echt waar: de meeste mensen deugen.