Geluk is niet te koop

Geschreven oktober 2010

 

Dikke traanogen en een auto volgepropt met spullen. Mijn spullen.

Ergens tussen de opgestapelde troep ligt Tips. Mijn hond.

Ik, mijn spullen, mijn hond, in mijn auto.

Verdoofd rijd ik langs de vele kille huizen. Lege hulzen zonder ziel.

Wat heb ik hard mijn best gedaan om te gaan houden van deze woonplaats, deze buurt en het huis. Het huis dat door moest gaan voor ‘ons’ huis, maar het gevoelsmatig nooit verder heeft geschopt dan ‘zijn’ huis.

Ik tel de nummers van de rotondes. Hoe lager de nummers, hoe dichter bij de snelweg. Meer dan ooit snap ik de definitie van het woord snelweg. Snel weg. Heel erg snel. Weg van hier om nooit meer terug te komen.

Tussen de plasticzakken en verhuisdozen door kan ik nog net wat zien van de weg die ik rijd. Met een grote bocht draai ik de A1 op. Aan de kant van de weg staat een heel groot gekleurd houten bord te pronken. Op het bord staat met joekels van letters ‘Geluk te koop’ gedrukt.

Met een ‘yeh right’ lachje en een denkbeeldig opgestoken middelvinger scheur ik langs dit bord dat bijna sekte-achtig klinkt.

 

Het eerstvolgende bord dat op de snelweg te zien is, is het grote bekende blauwe bord dat verwijst naar het aantal kilometers dat ik moet afleggen, voordat ik mijn oude vertrouwde stad bereik. Het louter verdrietige, ellendige gevoel maakt ietwat plaats voor positieve zenuwkriebels.

Ik tel af en voor ik het weet rijd ik mijn straat in. Ik parkeer mijn auto voor het huis, mijn huis dat lijkt te denken ‘welkom terug lieve Marlous, waar bleef je nou zolang?’ Na ruim vijf jaar een relatie te hebben gehad, ga ik sinds een paar uur weer als vrijgezel door het leven, een voor nu nog even onwennige en onwerkelijke status.

 

Ik zwiep de deuren van mijn auto open en graai met twee armen door de enorme berg spullen naar Tips. Ik vis haar tussen de kopjes, onderbroeken, snoeppotten, CD’s, laarzen en andere meuk uit. Alles is mee.

Na de woorden ‘Marlous, ik vind je wel leuk, maar niet voor elke dag’ ben ik opgesprongen en heb als een wervelwind door het huis alles gepakt wat van mij is. Geen seconde langer wilde ik nog doorbrengen in het huis dat ik haat tot op de laatste lik verf en met de man die liever met een ander is dan met mij.

‘Maar Marlous, neem toch eerst een logeertas mee en kom later de rest ophalen’ werd als tip naar me toe geslingerd.

‘NEE, NU, ALLES’ kraamde ik door het gesnotter uit.

 

De tactiek voor het weer leeghalen van de auto moet ik nog met mijzelf bespreken, maar voor nu ben ik tevreden met alleen mezelf en Tips eruit hijsen.

‘Tips, dus dit is je oude, nieuwe huis. Ok, ok, we gaan er slechts 100 m2 op achteruit. En o ja, die tuin hebben we ook niet meer. De rainshower, het bubbelbad met lichttherapie, de designbank van 10.000 euro, de stoomoven, de Quooker, de marmeren vloeren, de bubblechair, de loungebanken, de bioscoop op zolder, de kunstwerken, de walk-in-room, ja, die hebben we ook achtergelaten. Maar hé Tips, jij en ik hier samen. Jij en ik hier samen zittend op de bank, ja op de bank, je hoort het goed, dat klinkt toch best goed?’

Onbegrijpend en met een schuin hangend koppie kijkt ze mij aan.

 

 

De woonkamer ziet er nog exact uit zoals het was, toen ik van A. naar Buma ging.

Mijn huis heb ik altijd behouden. Van alleen wonen naar samenwonen en van een stad naar een Vinexwijk waren te heftige, hyperventilatieopwekkende stappen.

Rustig wennen, was mijn idee.

De wenfase was ik na jaren nog niet ontgroeid.

Hoe moet ik weten hoe te leven in een Vinexwijk, die zelf ook nooit weet wat het voorstelt?

Regelmatig ontvluchtte ik de geestdodende woonwijk om in mijn eigen huis in de stad weer op te laden.

Jammer van de stukgelopen relatie, maar ik ben nu weer op mijn plek. Godzijdank. Amen.

Ik kan de grond wel kussen.

 

Na een korte uitlaatbeurt door mijn buurt, kijkt Tips nog wat rond in de kamer. Ook ik kijk nog wat verdwaasd rond en zoek vervolgens mijn bed op.

Een Ikeatje, het ligt nog steeds als gegoten.

Terwijl ik al in bed lig, staat Tips me vanaf de zijkant van het bed al piepend aan te kijken.

Ik doe net of ik haar niet hoor en zie, maar er verandert niets.

Ik open één van mijn net gesloten ogen en zie Tips mij smekend aankijken.

Daar kan ik niet tegenop.

Geheel tegen mijn principes in, til ik haar op bed en leg haar op mijn voeteneinde.

Ze wurmt zich wat in mijn dekbed, rolt zich op en gaat tevreden slapen. Dit voelt veilig.

 

De nacht duurt lang. Ogen open, ogen dicht. Uit bed, in bed. Zucht, hijg, puf. Rotkussen. Kriebeldekbed. TV dan maar aan. Borsten, billen, rondzwierende tongen, knipogen en hitsige stemmen vullen de zenders. Gelukkig, aan het het eind van het rondje zappen word ik gered door ‘beste vriend in de nacht’ dogwhisperer Cesar Millan. Tips is niet gediend van deze doorgeslagen Martin Gauss, dus ik zet de TV snel weer uit.

‘Ssssssssst, Tips, blaffen kan hier niet meer, hier moeten we de buren te vriend houden.’

 

Opluchting wisselt zich af door frustratie. Boos op mezelf, pissig op mijn ex-vriend, woedend op mijn ziekte. Slapeloze nachten, hartkloppingen, weinig eetlust, eraf vliegende kilo’s, veel tranen. Het laatste beetje energie probeerde ik uit mijn lichaam te persen om deze breuk te voorkomen. Weer een gesneuvelde relatie. Waarom?  De PH? Was ik leuker geweest als ik geen PH had gehad?

Absoluut. Een ziekte is een struikelblok.

Is het toch niet mogelijk een relatie te hebben als je chronisch ziek bent?

Ben ik naïef als ik dacht dat het mij wél zou lukken?

Mannen verdwijnen steeds weer uit mijn leven, maar de PH blijft aan me plakken als een strontvlieg.

De klokt tikt verder en ik voel mijn ogen wegdraaien. Piekeren is vermoeiend, ik geef me over aan de slaap. En ik geef me over aan mijn nieuwe leven.