Ode aan Dr.Hatchi

Een lentedag in 2012

 

Wachten. Wachten op wát eigenlijk?

Wachten op iets waarvan ik niet wist of het wel zou komen: een setje nieuwe longen.

Ik moest wachten op het moment dat er iemand anders dood zou gaan om zelf een kans te krijgen om verder te kunnen leven. Ik kan je verklappen; dat is een niet zo’n prettige gedachte en situatie.

Mijn dagen bestonden uit zitten en liggen. Op mijn bed. Op kamer 12 op afdeling 1D van het ziekenhuis waar ik al járen vaste klant was.

Links van mijn bed stond een bak nagellak en lag een föhn, om mijzelf met mijn laatste kracht toch nog wat op te dirken, want ik was wel al halfdood, maar zo wilde ik er niet uitzien. Rechts van mijn bed lag mijn laptop, waarop ik hard aan het werk was aan mijn ‘geheime’ bestand: mijn testament en mijn wensen voor mijn begrafenis voor als dat nieuwe setje longen er nooit zou komen of voor als ik de operatie niet zou overleven. Het was al een vrij uitgebreid bestand dat leek op de voorbereiding van een spetterend feest. Ik zag het helemaal zitten dat afscheidsfeest. Ik vermoed dat ik de enige was die er zo enthousiast over was.

 

Al ruim drie maanden was ik aan het wachten op dat ene bericht, dat ene telefoontje.

De continu aanwezige spanning maakte het wachten bijna ondraaglijk.

Die ene lentedag was ik het wachten zo zat. Zatter dan al die momenten dat ik het de afgelopen maanden al zat was. Ik was het wachten zó ontzettend zat. Ik had het gehad met dat lichaam dat totaal niet deed wat ik wilde. Ik had het gehad met dat ranzige eten in het ziekenhuis. Ik wilde niet meer liggen in dat ziekenhuisbed waarin vast al honderden mensen de pijp uit waren gegaan. Ik wilde niet meer slapen onder die spuuglelijke gele deken met monsterlijke bloemen erop. Ik was klaar met al die artsen en verpleegkundigen die de hele tijd iets van mij moesten. Ik wilde eigenlijk niet meer wachten op die nieuwe longen.

De wanhoop was die dag vast van mijn gezicht af te lezen, want ineens stond daar dr. Hatchi voor mijn bed.

 Dr. Hatchi kende ik al vanaf het eerste moment dat ik als nieuwe PH-patiënt binnenkwam in het ziekenhuis. In al die jaren kon ik zien hoe dr. Hatchi vooruitging en dr. Hatchi kon zien hoe ik juist achteruitging. Dr. Hatchi en ik zijn van hetzelfde bouwjaar, wat de omgang met hem prettig maakt. Of komt dat gewoon doordat dr. Hatchi één van de meest menselijke artsen is die ik ken? De gesprekken met dr. Hatchi verliepen in al die jaren nooit dramatisch, want 99 % van de gesprekken gingen over het gewone leven; huisdieren, familie, woonplaatsen, vrije tijd en alles wat het leven normaal maakt.

 

Die ene dag stond dr. Hatchi onverwachts voor mijn bed. Ik vertelde en hij luisterde. En op dat moment deed hij iets wat ik in al die jaren nog nooit had meegemaakt met een arts; hij trok zijn witte jas uit, pakte mijn rolstoel en vertelde mij dat we naar buiten gingen om een ommetje te maken en om een ijsje te eten. Ik keek hem aan alsof ik dacht dat hij een grapje maakte, maar toen ik de voordeur van het ziekenhuis uit werd gerold naar buiten wist ik dat het toch echt geen grap was.

Op een grasveld achter het ziekenhuis gingen we zitten om te genieten van de zon, het ijsje, een bijzonder gesprek en mijn kortdurende vrijheid.

 

Daar op dat veld praatte dr. Hatchi mij weer moed in. De moed die ik nodig had om verder te wachten op dat iets of niets.

Die dag kreeg ik weer hoop, maar kreeg ik ook bevestigd dat wat ik eigenlijk al wist en nooit meer zal vergeten. Mocht jij het nog niet weten, dan zal ik het nu verklappen: artsen hè, je weet wel, die mensen die geen glazen bol hebben en ook niet kunnen toveren, maar die wel hun uiterste best doen voor patiënten, dat zijn dus gewoon mensen, weet je. Net zo menselijk als jij en ik. Niet meer vergeten hè, beloofd?