Dr. Sprankel
‘Deel zoveEL’

Geschreven voorjaar 2019

 

Dr. Sprankel; bijna 16 jaar ken ik hem inmiddels. En hij mij dus ook. Geef deze lieve longarts alsjeblieft een koninklijke onderscheiding alleen al vanwege zijn geduld met mij.

De dag dat ik hem voor het eerst ontmoette herinner ik mij nog goed. Het was in juli 2003 en ik weet nog exact waar het was, waar wij zaten en wat hij allemaal zei. Informatie met daarin veel ‘nee, kan nooit meer en mag niet meer’ verwerkt, maar zonder mij een rotgevoel te geven. Ik zie het nog allemaal voor me. Als je aan mij zou vragen wat hij die dag droeg, dan zou ik daar zelfs een antwoord op kunnen geven. Oh, je wilt het echt weten? Nou vooruit; een geruit overhemd in bruintinten, een beige nette Dockers-achtige broek en bruine gaatjesschoenen.

 

Vandaag zit ik weer in de wachtruimte van de poli te wachten op een afspraak met dr. Sprankel.

Voor de hoeveelste keer zou ik er vandaag zijn voor een afspraak met dr. Sprankel?

Ik denk dat als men mij voor ieder bezoek aan dr. Sprankel geld zou hebben gegeven, dat ik dan geld bij elkaar verzameld zou hebben voor een lange reis. Een wereldreis. Eentje van een paar jaar. Voor mijzelf. En mijn hele familie en al mijn vrienden.

In de wachtruimte zie ik dr. Sprankel naar me toe komen lopen. Zoals altijd kijkt hij vrolijk en maakt hij een grappige opmerking. Vandaag kan ik dat extra waarderen, want ik voel mij vandaag niet zoals ik mij vaak gedraag. Ik maak mij de laatste tijd namelijk zorgen, ook al valt dit niet snel van mijn gezicht af te lezen. Ook mijn slechte grappen en mijn gelach verklappen het gevoel wat ik heb niet.

Ik zit weer eens in een periode waarin ik mij zorgen maak om mijn levensverwachting. Ik probeer er zo min mogelijk aan te denken, maar af en toe komt dat hoelang-zou-ik-nog-hebben-gevoel zo ontzettend naar boven drijven. Hoe meer ik eraan denk, hoe harder ik ga ‘Googlen’. Hoe harder ik ‘Google’ hoe ellendiger ik mij voel, want in dit soort gevallen is Google uiteraard mijn ergste vijand. Er worden gemiddeldes genoemd, maar wat kan ik ermee?

 

Bepakt met onzichtbare loodzware emotionele bagage loop ik mee naar de spreekkamer van dr. Sprankel. Ik observeer hem, want hij loopt weer wat moeilijk. In al die jaren heb ik hem vaak moeilijk en wat voorover gebogen zien lopen waarbij ik zeker wist dat hij het lichamelijk zwaar had. Gek genoeg heb ik hem nog nooit gevraagd wat hij precies heeft en of het wel ging. Ik weet dat het iets met zijn rug te maken heeft, maar ik voel mij ineens ontzettend onattent.

In de spreekkamer ga ik snel zitten. Na de standaardvraag ‘hoe gaat het met je?’ en wat gescroll door de uitslagen van de onderzoeken en mijn medicijnlijst breng ik mijn zorgen ter sprake.

Er zijn weinig mensen met wie ik over mijn levensverwachting praat, want zo’n gezellig onderwerp is het nou ook weer niet. Voor dr. Sprankel is het natuurlijk een veelbesproken onderwerp. Ik vertel hem dat ik mij af en toe voel als een tikkende tijdbom en dat het gevoel op dit moment zo overheersend is dat het mijn dagelijks leven beïnvloedt.

Niet voor niets ben ik al sinds juli 2003 een enorme fan van dr. Sprankel, want zoals altijd weet hij mij weer op een perfecte manier moed in te praten. Na mijn zorgen te hebben geuit zegt hij mij: ‘Marlous, jij weet toch ook nog wel wat we bij onze eerste ontmoeting hebben afgesproken?’ Natuurlijk weet ik waar hij het over heeft, want tijdens die eerste ontmoeting in 2003 vertelde hij mij dat hij, ondanks mijn progressieve en dodelijke aandoening met een barslechte prognose, zo hoopvol was dat hij mij nog wel zeker tot aan zijn pensioen op zijn poli verwacht te zien. Waarschijnlijk heeft hij dit tegen iedere kersverse patiënt verteld. Ook diegenen die helaas niet meer leven, maar dat maakt niet uit, het voelde destijds als een enorme belofte die mij meer hoop gaf dan al die medicijnen die er op dat moment voor de Pulmonale Hypertensie beschikbaar waren.

Ondanks dat ik inmiddels nieuwe longen heb, omdat ik op het vlak van de Pulmonale Hypertensie uitbehandeld was, geeft die uitspraak van toen mij 16 jaar later nog steeds hoop.

Ik antwoord dat ik het uiteraard nog weet en zeg dr. Sprankel dat ik zo ontzettend blij ben dat de pensioensleeftijd omhoog is gegaan en dat het wat mij betreft nog wel wat meer naar boven mag worden bijgesteld, waarbij ik mij gelijktijdig afvraag hoelang dr. Sprankel eigenlijk nog moet werken tot aan zijn pensioen. Ik weet zijn leeftijd eigenlijk niet, maar zijn eeuwig jonge uiterlijk stelt mij gerust.

 

Hoe meer dr. Sprankel praat, hoe lichter ik mij begin te voelen. En daar deed hij het dus weer; het gebruiken van zijn geheime truc die ‘hoop’ heet. Hoop, het beste medicijn dat een arts mij ooit heeft gegeven. Het enige medicijn met gunstige bijwerkingen en voor mij ook de meest gunstige uitwerking. Stuur mij niet altijd naar huis met eerlijke- en realistische uitspraken over een treurige toekomst, maar geef me een lekker gevoel zodat ik weer wat onbezorgder kan doorleven. Of het nou de waarheid is of niet. Een andere waarheid zal niet voor een ander verloop zorgen, dus geef mij maar de aangepaste realiteit.

Dr. Sprankel neemt vandaag weer mijn onzichtbare loodzware emotionele bagage van mij over. Opgelucht en verlicht loop ik bijna zwevend richting de lift op weg naar huis.

In de lift valt het kwartje: geen wonder dat dr. Sprankel rugklachten heeft, dat komt uiteraard door de zware emotionele bagage die hij van al zijn patiënten heeft moeten overnemen. Hé maar luister: Neemt iemand die enorme bagage af en toe ook weer even van hem over?