Donna Donororgaan in de Douglas

Net voordat ik mijn zojuist geparkeerde auto uit wil stappen, zie ik dat ik nog het gele ziekenhuisbandje om mijn linkerpols heb zitten en de grote pleister op mijn rechterarm.

De pleister is van het bloedprikken bij het lab van het ziekenhuis en het gele bandje krijg je tegenwoordig bij een polibezoek bij de ingang van datzelfde ziekenhuis wanneer je hebt bewezen Coronaklachtenvrij te zijn. Het bandje ziet eruit alsof ik net naar een hip festival ben geweest of heb genoten van een all-inclusive eet&drink je ongans vakantie in een gezellig oord in Turkije.

De pleister staat natuurlijk ook spectaculair, maar laat ik het allebei toch maar snel verwijderen voordat ik het Gelderlandplein binnenstap.

Een bezoek aan winkels is in mijn leven een standaard after ziekenhuis uitje.

Iedere keer dat ik een ziekenhuis binnenstap schakel ik kort voor het naar binnengaan over van de persoon Marlous naar mijn alter ego de patiënt die dan alles bijna emotieloos ondergaat.

 

Al winkelend schakel ik altijd langzamerhand weer terug van mijn alter ego de patiënt naar Marlous.

Daar in de winkels begeef ik mij in de normale-mensen-wereld. Een plek waar de meeste mensen niet nadenken over doodgaan en slechte onderzoeksresultaten, maar waar men zich afvraagt welke producten er in de bonus zijn. Het Gelderlandplein vind ik een perfecte omgeving om weer in de normalere wereld te landen.  Die normale-mensen-sfeer werkt perfect om de onaantrekkelijke ziekenhuisbeelden van die dag weer van mijn netvlies te krijgen. En het tempo ligt daar door de aanwezigheid van al die hangouderen ook helemaal op mijn niveau.

De Douglas is voor mij geen onbekende winkel. Deze parfumerie zal, zolang als ik leef, niet bang hoeven te zijn voor een eventueel faillissement.

“Goedemiddag bent u naar iets speciaals op zoek?” is uiteraard de vraag die meteen op mij wordt afgevuurd wanneer ik de eerste stap bij de Coronaproof ingang naar binnen heb gezet.

“Ik zou graag even willen rondkijken” is mijn gebruikelijke antwoord bij dit soort vragen, want ik ben nooit op zoek naar iets, omdat ik alles al heb. En bovendien vraag ik in dit soort winkels zelden om advies, omdat ik weet dat het antwoord enorm afhankelijk is van de voorraad die ze op dat moment kwijt moeten zien te raken en omdat ik ook altijd bang ben dat ze mij willen opmaken en ik dan als een soort dragqueen de winkel weer verlaat. Dat betekent overigens niet dat er door mij nooit iets wordt gekocht, want ik loop, vanaf het moment dat ik een afschuwelijke diagnose kreeg, rond met een stem die tegen mij zegt: “Meid, joh koop lekker, jouw leven kan morgen zomaar ineens voorbij zijn”. Maar dat zegt die stem inmiddels al 17 jaar tegen mij.

 

Terwijl ik door de winkel struin merk ik dat ik toch word gevolgd door een verkoopster.

Het valt me op dat alle verkoopmedewerkers in deze winkel een mondkapje dragen. Wanneer de verkoopster dichtbij komt staan spreek ik haar aan. “Wat geweldig dat jullie allemaal een mondkapje dragen, daar ben ik heel blij mee” zeg ik haar.

Ze antwoordt dat ze dat doen, omdat het Gelderlandplein een plek is waar de risicogroep erg groot is. “Al die ouderen zijn zo kwetsbaar” zegt ze mij. Op dat moment bedenk ik dat ik mijn onzichtbare rol van patiënt wel wat zichtbaarder mag maken en zeg: “Weet u dat ik ook in de risicogroep val en dat jullie mij ook heel blij maken met het dragen van een mondkapje?”

Door haar verbaasde blik besluit ik om wat meer informatie over mijzelf los te laten. Ik vind het zelf altijd erg aanstellerig overkomen om aan wildvreemden te vertellen wat ik op medisch gebied allemaal heb meegemaakt, maar sinds het losbarsten van de Corona ellende en mijn groeiende ergernis vanwege o.a. het onjuiste beeld dat er van de risicogroep bestaat, vind ik het tijd worden om mijzelf in de strijd te gooien.

Alsof het allemaal doodnormaal is zeg ik: “Ja, ik ben ook een risicopatiënt, want ik heb nieuwe longen én een nieuwe nier”. De manier waarop ik het breng klinkt altijd meer alsof ik vertel over een leuke nieuwe vriend, maar door de reacties weet ik dat mensen die informatie nooit zo oppikken.

“Wauw, dit is de eerste keer in mijn leven dat ik een persoon met donororganen ontmoet” zegt de verkoopster.

 

Terwijl ik met mijn informatie eigenlijk de boodschap wil overbrengen dat ik het jammer vind dat men denkt dat alleen ouderen en mensen met overgewicht tot de Corona risicogroep behoren, heb ik nu het onderwerp ‘orgaandonatie’ te pakken. En dat is ook geen probleem, want natuurlijk vind ik ook daar wat van.

“Jij bent zeker wel blij met die nieuwe donorwet?” vraagt de verkoopster mij.

Alsof ik naar deze vraag aan het snakken was zeg ik: “Natuurlijk ben ik blij wanneer mensen een ‘ja’ willen invullen, maar eerlijk gezegd ben ik niet zo te spreken over die hele aanpak”. “Hoeveel mensen met kanker ken jij bijvoorbeeld?” vraag ik haar. Het antwoord vind ik niet verrassend, want ze zegt er zo een aantal op te kunnen noemen. “En hoeveel mensen met donororganen ken je?” vraag ik haar vervolgens. Ze antwoordt dat ik de eerste ben, waarna ik haar zeg dat ze er misschien wel meerderen kent, maar dat wellicht niet weet dat sommige mensen met donororganen leven.

“Weet je wat het is? Ik als getransplanteerde vind de wereld van getransplanteerden zo onzichtbaar. Je ziet deze mensen amper, je hoort ze niet en ze komen nauwelijks op tv voorbij. Ik vind het dus niet zo gek dat mensen geen zin hebben om een donorcodicil in te vullen, want men heeft toch geen idee waar het allemaal over gaat? Men zou eens een goede documentaire moeten maken over de wereld van de getransplanteerden, dan heeft men een gezicht erbij en dan weet men waar men het voor kan doen”. De verkoopster blijft me aanstaren en ondertussen vraag ik mij af of ze niet aan het werk moet. “Ik vind het zo knap wat ze tegenwoordig allemaal kunnen” zegt ze mij. Na mijn “Ik vind het geweldig” begint de verkoopster met vragen stellen, vragen over mijn leven vóór de transplantatie en vragen over mijn leven nu. Zonder moeite kan ik ze beantwoorden, maar omdat ik me wel lichtelijk bezwaard voel, omdat ik het idee heb dat ik haar hier tussen de parfums en mascara’s aan het bekeren ben vraag ik: “Wat is voor een parfum is dit?” terwijl ik een kleurrijk flesje uit de kast naast ons gris.

Nadat ze mij het parfum laat ruiken zegt ze: “Nou ik ben eruit hoor, ik ga ‘m invullen het donorcodicil. Nu ik weet dat mensen zoals jij ermee gered kunnen worden vul ik met liefde een ‘ja’ in”. Nou vind ik mijzelf niet het perfecte voorbeeld van een getransplanteerde, maar ik bedank haar zo hartelijk alsof ik namens de héle wachtlijst spreek.

“Trouwens, wat kost dat flesje parfum?” Nadat ze mij vertelt dat er korting is zeg ik: “Doe maar”.

 

Terwijl ik afreken kijk ik op mijn horloge en zie dat ik hier een uur heb staan praten.

Ik loop met een klein tasje weer naar buiten en denk: “Lekker gedaan Marlous, één persoon overtuigd, nog slechts een paar miljoen te gaan”.

En die documentaire? Had ik ook niet ooit bedacht een boek te willen schrijven en lukte dat toen ook? Dan gaat mij dit uiteindelijk toch ook wel lukken, want heb ik niet al bewezen een erg lange adem te hebben?