In de centrale hal van het ziekenhuis

Dit is een paragraaf. Klik hier om je eigen tekst toe te voegen.

Godverdomme achterlijk wijf, hoe dom ben je wel niet?’

Terwijl ik op een bank in de centrale hal van het poli-gebouw van het ziekenhuis zit, galmen deze woorden door de grote ruimte die tjokvol mensen zit. De fraaie uitspraak komt uit de mond van een man die samen met een vrouw tegenover mij zit. ‘Stomme trut, kan je niet nadenken ofzo? Je bent echt niet wijs’. De vrouw blijft opvallend rustig en antwoordt: ‘Ja, sorry, ik wist het niet.’ De man gaat verder met de complimenten richting de vrouw die naast hem zit. ‘Jezus mens, hoe moeilijk is het nou om een parkeerplaats te vinden hier in de buurt? Je gaat toch niet bij de Bosbaan parkeren wanneer je hier in de parkeergarage kunt parkeren?’

Ze probeert ertussen te komen met een: ‘Ja sorry, ik...’ – ‘Domme koe. Wat denk je wel niet? Door jou was ik bijna te laat, want ik heb op je gewacht, maar de arts kwam eraan en toen zat ik daar alleen. Je kan toch wel rekening met mij houden?’.

 

Na zoveel verbale diarree besluit ik voorzichtig in te grijpen. ‘Meneer? Pardon meneer. Ehm, meneer? Meneer wilt u alstublieft…’. Een vrouw aan de andere kant van mij hoort mij en geeft aan dat de man een beetje doof is en daarom zo hard praat. ‘Dat is vervelend, maar dat is geen reden om te gaan schelden’ antwoord ik alsof ik de meest brave burger op aarde ben.

‘Ik ben er klaar mee, ik vind je echt een dom wijf’ gaat de man verder.

De nog steeds rustig gebleven vrouw kijkt haar man aan en alsof ze dit gedrag van haar man gewend is, vraagt ze op een uiterst vriendelijke toon: ‘En lieverd, hoe ging het nou eigenlijk bij de arts? Wat zei hij?’

‘Nou, hij zei dus dat ik een gevaarlijk hoge bloeddruk heb, dat geloof je toch niet?!’