Game over
- macdeneree
- 16 jul
- 3 minuten om te lezen
Midden op de afdeling KNO mail ik in wanhopige toestand mijn longarts dokter Sprankel, één van mijn lievelingsartsen van mijn Dreamteam van artsen en hoogstwaarschijnlijk gewoon mijn voor altijd lievelingsarts sinds 2003, het jaar dat ik voor het eerst dit ziekenhuis binnenstapte als longpatiënt.
Het heeft de afgelopen weken alleen maar slecht nieuws geregend.
Van een nieuwe huidkankerplek op mijn hoofd die bestraald zou moeten worden, het vinden van weer actieve kankercellen na een echo en biopt van de eerder bestraalde plek achter mijn oor, die niet meer behandeld zou kunnen worden, het permanent verliezen van het gehoor van mijn linkeroor door ‘Sudden Deafness’ en het hebben van een darmontsteking.
Vandaag sta ik hier op de afdeling KNO, omdat ik nu ook nog nauwelijks wat hoor met mijn rechteroor en, omdat ik meer informatie eis over de PET-scan van bijna twee weken geleden, waarvoor de KNO-arts mij zou bellen, maar dat nog steeds niet heeft gedaan.
Mijn vriend en ik zijn maar rechtstreeks naar de afdeling gegaan in de hoop sneller hulp te krijgen dan telefonisch via het kastje naar de muur gestuurd te worden.
Aangezien we via deze weg ook nog geen hulp geboden krijgen en ik de toestand met mijn oor nogal zorgelijk vind en daarbij meer duidelijkheid wil over de uitslag van de PET-scan, bedenk ik dat ik mijn longarts dokter Sprankel inschakel. De beste man is natuurlijk helemaal geen KNO-arts, maar het is dé arts op wie ik al drieëntwintig jaar kan bouwen. Deze man houdt me al zolang staande dat ik er van overtuigd ben dat ik zonder deze man allang niet meer geleefd zou hebben.
Niet veel later na het sturen van mijn mail belt dokter Sprankel mij. Alleen al het horen van zijn stem doet me goed. Hij regelt een plek voor me op de Spoedeisende Hulp en daar zal ik onderzocht worden.
Na wat eerste controles komt dokter Sprankel mij op de SEH bezoeken.
De ernst in zijn blik verklapt dat er weer ander nieuws gebracht gaat worden dan ik had gehoopt.
‘Marlous, ik vind dat men eerlijk tegen je moet zijn over de uitslag van de Pet-scan’.
Na deze uitspraak voel ik mijn hart in mijn keel bonzen.
Dokter Sprankel vertelt dat de uitslag van de Petscan niet goed is. Met mijn slechte gehoor hoor ik nauwelijks wat, maar genoeg om te weten dat mijn wereld zojuist compleet is ingestort. Kanker, op meerdere plekken en nu vermoedelijk ook een uitzaaiing in de rugwervel hoor ik hem zeggen. Nieuws dat de KNO-arts mij had moeten vertellen, maar uit de mond komt van mijn longarts dokter Sprankel. En dat is maar goed ook, want alles klinkt beter als dokter Sprankel het uitspreekt.
Ik kwam vandaag voor mijn weggevallen gehoor en de uitslag van de PET-scan, waarvan ik hoopte dat hij voor opluchting zou zorgen, maar in plaats daarvan op mijn doodvonnis lijkt.
Zodra dokter Rijksdaalder de kamer van de SEH binnenkomt en verdere informatie geeft, lijkt het niet alleen op een doodvonnis, maar is dat het ook.
Het woord uitbehandeld is al eerder gevallen, maar is na vandaag definitief.
Hoe onwerkelijk is het dat na het overleven van PAH, een longtransplantatie, nierdialyse en een niertransplantatie, een kleine huidkankerplek de boosdoener is waardoor ik sneuvel.
Je denkt dat ik na drieëntwintig jaar als patiënt inmiddels wel gewend ben geraakt aan het krijgen van slecht nieuws, maar niets is minder waar.
Slecht nieuws krijgen went nooit.
Het aantal keren dat ik hier slecht nieuws heb gekregen en daarna toch weer opgelapt kon worden is niet meer op twee handen te tellen. Vandaag gaat het nieuws de andere kant op dan ik gewend ben, want er lijkt geen ‘escape’ te zijn, geen ‘het komt wel goed’. Vandaag hoor ik dat het niet meer goedkomt.
Er is geen hoop meer om aan vast te houden.
Inmiddels zit mijn ziekenhuiskamer op de SEH vol met mensen: mijn allergrootste liefde Frank, mijn broer en allebei mijn ouders.
We praten niet zoveel, maar we luisteren voornamelijk. We horen termen aan als uitbehandeld, euthanasie, terminaal en palliatief. Termen die voor mijn gevoel ooit gebruikt zouden kunnen gaan worden, maar niet nu. Helaas blijkt ooit ineens nu te zijn.
Ik ben de afgelopen drieëntwintig jaar enorm druk bezig geweest met leren leven, maar vanaf vandaag moet ik leren doodgaan.
Vertel eens, hoe doe je dat in godsnaam?




Er zijn eigenlijk geen woorden voor. En toch weet jij ze, zelfs nu, iedere keer weer te vinden. Midden in alle ellende en tegenslagen blijft jouw humor, jouw gevatheid en jouw warmte als een rode draad aanwezig. Dat is zo ontzettend bijzonder.
Het is oneerlijk. Gemeen. Verdrietig. En bovenal gewoon super stom. Want jij bent veel te mooi, veel te leuk en veel te bijzonder om nu al afscheid van te moeten nemen.
Niemand weet hoeveel tijd je gegeven is. Daarom hoop ik dat de tijd die er nog is gevuld zal zijn met liefde, mooie momenten en dierbare gesprekken en veel knuffels.
Dat iedereen je keer op keer vertelt hoeveel je voor hen betekent, hoeveel kleur jij aan hun…