Na regen komt….nog wat meer regen.
- macdeneree
- 17 mei
- 7 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 19 mei
De nét iets te lange stilte. De blik in zijn ogen en de manier waarop dokter Rijksdaalder naar zijn computerscherm kijkt. Er zijn nog geen woorden nodig om te weten dat ik hier vandaag in de spreekkamer van de arts zit om slecht nieuws te krijgen.
Ik ben een pro geworden in het oppikken en bespeuren van signalen die erop wijzen dat er nieuws wordt gebracht waar ik niet op zit te wachten. En het klopt, want de uitslag
van het weefselonderzoek van de door dokter Rijksdaalder weggehaalde Plaveiselcarcinoom is niet goed. Het geluksarmbandje met klavertjes vier eraan, dat vriendin Noukie mij maanden geleden als steun cadeau gaf en ik vandaag ook gewoon om heb, heeft dus geen invloed gehad op de uitslag. Jammer.
Na vijfendertig bestralingen in zeven weken vanwege uitgezaaide huidkanker en daarna een operatie aan mijn hoofd, waarbij nieuw door mijzelf ontdekte huidkanker is verwijderd, was ik me voorzichtig aan weer aan het richten op herstel en de toekomst.
Na maanden van stilstand, wilde ik weer vooruit.
Ik had de afgelopen weken weer wat geproefd van het ‘normale’ leven. Ik had de golfclubs weer tevoorschijn gehaald, ik had op de e-bike samen met mijn vriend en inmiddels tien maanden oude hond Tommie bij hem voorop in de fietsmand weer tochten gemaakt, ik was weer gaan wandelen door het bos, over het strand en door de stad en ik had ook weer met vriendinnen en vrienden afgesproken. Het beviel me uitstekend.
Dokter Rijksdaalder haalt me direct uit mijn droom om verder te gaan met het gewonere leven door te vertellen dat de snijranden van het weefsel niet helemaal schoon zijn en dat er dus nog foute cellen zitten, waarvoor ik wéér behandeld moet worden. Terwijl ik zelf denk aan ‘Oh joh dan snijden we toch een extra stukje weg’, is het idee en plan van dokter Rijksdaalder totaal anders. Een operatie in dit gebied bovenop mijn hoofd waar er al geopereerd is kan niet meer. Er moet dus weer bestraald worden.
Ik heb het al vaak opgebiecht; ik ben een echte jankbal geworden. Ik kan janken om alles. De kans dat ik hier dus een potje ga zitten grienen om deze beroerde uitslag is dan ook 100%, ook al weet ik dat ik er met zo’n jankhoofd echt niet uitzie.
Ik ben geschrokken en teleurgesteld.
Dokter Rijksdaalder geeft aan dat hij aan mijn hoofd ziet dat ik niet blij ben met dit nieuws. Dat verbaast me niets, want hij kent me na eerdere gesprekken wel een beetje en weet dat ik eerder voor hem heb gezeten en aan heb gegeven het gevoel te hebben de handdoek in de ring te willen gooien. Maar misschien was zo’n slecht-nieuws-gesprek op dat moment zo direct na de laatste bestraling van de vijfendertig ook niet echt de beste timing als je je lichamelijk en psychisch al uitgeknepen voelt.
Door een hele fijne arts te zijn en goed te luisteren en te overleggen, kreeg ik er weer vertrouwen in en krabbelde ik mentaal weer wat op en werd ik weer strijdbaar. Precies zoals ik dat al drieëntwintig jaar gewend ben.
Terwijl dokter Rijksdaalder vluchtig benoemt dat hij denkt aan Orthovolt bestraling, een speciale bestraling die anders is dan de bestraling die ik onlangs heb gehad, vind ik het tijd worden om mijn hart te luchten.
‘Weet je wat het is’ zeg ik, terwijl ik tegelijkertijd probeer te stoppen met de huilbui, die ik zoals verwacht net heb ingezet en mijn tranen wegveeg met de schuurpapierachtige ziekenhuistissues die deze lieve arts voor me heeft neergelegd: ‘Jullie artsen zien mijn leven natuurlijk alleen op zo’n computerscherm. Ik ben een paar getallen op een scherm. Jullie proberen me altijd heel fijn weer op te lappen. Maar eigenlijk weten jullie helemaal niets van mijn leven. Jullie zijn altijd zo onder de indruk van mijn gigantische dossier. Maar jullie zien in jullie computer helemaal niet of ik het wel zo leuk vind allemaal. Daar is ook niemand mee bezig’.
Ik leg dokter Rijksdaalder uit dat ik het leven niet altijd een feest vind. Ik word nogal wanhopig van al die tegenslagen, die elkaar sneller lijken op te volgen dan dat ik knipper met mijn ogen, waarbij ik maar niet uitspreek dat ik het leven daardoor soms als één groot survivalkamp ervaar.
Ook geef ik aan dat ik snap dat orgaantransplantatie bejubeld wordt, want het is fantastisch dat het bestaat. Maar dat ik zelf regelmatig betwijfel of ík er zelf nou echt een zoveel beter mens van ben geworden’.
‘Zeg ik dit nou hardop’ denk ik meteen.
‘De wereld geeft me ook het gevoel dat dankbaarheid vanzelfsprekend gekoppeld is aan orgaantransplantatie’ zeg ik dokter Rijksdaalder. Ik vind het heel erg om te zeggen, maar alhoewel ik absoluut blij ben met mijn nieuwe organen voel ik die dankbaarheid niet áltijd zo. Hoe graag ik het ook wil’ zeg ik op een schuldige toon, omdat ik me ook schaam voor mijn uitspraken, omdat ik toch kansen heb gekregen die anderen helaas niet krijgen.
Ik spreek het ook niet uit naar dokter Rijksdaalder, maar ik heb er moeite mee dat mensen totaal voorbij lijken te gaan aan het feit dat het in eerste instantie helemaal geen cadeau is om nieuwe organen nodig te hebben en te krijgen, omdat je lijf het begeeft. En dat de wereld vaak denkt dat je met nieuwe organen genezen bent en er ook verwacht wordt dat je daarnaar leeft, terwijl het met nieuwe organen ook behoorlijk hard aanpoten is. Om over de onzekerheid die eraan gekoppeld is maar niet te spreken.
Na mijn eerste woordenwaterval ga ik verder: ‘Ik probeer echt wat van mijn leven te maken, maar mijn hele leven is een niet vrijwillig gekozen plan B.
Ik doe echt mijn stinkende best om mijn leven zo prettig mogelijk te maken’….
‘Maar het blijft dus een plan B’ onderbreekt dokter Rijksdaalder mij begripvol.
Ik geef op zo beknopt mogelijke wijze aan dat ik totaal geen spijt heb van de transplantaties en dat ik het zo weer zou doen, maar dat ik er misschien wel wat anders van had verwacht en gehoopt. Dat ik het op sommige vlakken iets vind tegenvallen, ook al heeft het me ook veel goeds gebracht, zoals meer lucht en tijd én niet minder belangrijk: de liefde van mijn leven. En dat ik dolgelukkig ben dat ik ook de liefde van honden mag ervaren. En nog zoveel meer.
Maar dat ik vooral moeder wilde worden, dat was mijn grootste droom. En dat ik wilde werken, meer reizen, in het buitenland had willen wonen en had willen sporten.
Ik vertel dokter Rijksdaalder dat ik vind dat mijn leven zich de laatste tijd voor een veel te groot deel afspeelt in ziekenhuizen en het leven soms vrij ingewikkeld is met zoveel obstakels.
‘Ik heb niet eens tijd om adem te halen en het volgende drama staat alweer op me te wachten. Ik wil niet straks de pijp uitgaan en terugkijken op een leven met alleen maar ziekenhuisbezoeken’ zeg ik tegen dokter Rijksdaalder
‘Ik had allemaal vakanties en korte tripjes gepland met mijn vriend en met vriendinnen. Ik wil weer leven en beleven, ik wil weer meer levensvreugde kunnen voelen en daarnaast wil ik compensatie voor al die keren dat ik moet afzien’.
Ik lijk mijn hele ziel op tafel te gooien en dokter Rijksdaalder luistert heel aandachtig en geduldig en zegt wijze woorden die mij steunen.
Omdat ik zo losga met mijn emoties en mijzelf vind doorschieten in zelfmedelijden, vind ik het tijd worden voor wat luchtigheid en grappen. Ik ben dan ook wel weer zo dat ik net zo snel weer lach als dat ik jank. Dat geestelijk wiebelige gedrag is natuurlijk ook wel de schuld van de Prednison. En ok, zo’n niet meer zoveel voorstellende nierfunctie doet ook geen wonderen voor de bovenkamer. Dat teveel praten daar heb ik overigens geen excuus voor, dat staat er los van, dat ben ik echt zelf.
Ik heb altijd een beetje medelijden met artsen als ze weer slecht nieuws moeten brengen. Ik weet niet of ze daar gevoelloos voor worden, maar het lijkt me vreselijk om maar altijd de slechterik te moeten spelen. Ik wil artsen die slecht nieuws brengen altijd een beetje redden door complete onzin uit te kramen, te laten lachen om de zwaarte van het gesprek te halen, ze op hun gemak te stellen en zich niet schuldig te voelen, waarbij ik dan zelf het hardst lach om mijn eigen domme uitspraken. Daarnaast word ik zelf erg ongemakkelijk van die te serieuze gesprekken en is humor mijn houvast in het leven. Ik wil lachen, niet huilen. En ik houd van liever een beetje gek dan normaal.
Ik begin een gesprek over mijn hond, mijn vriend en over mijn gewenste vakanties.
Dokter Rijksdaalder gaat meteen mee in de ommezwaai in mijn emotie. Ik had ook niet anders verwacht.
Ik vind het een grappige arts. Hij heeft naast dat hij belast is met het brengen van slecht nieuws, een prethoofd en zijn gedrag is ook wel bijpassend. Godzijdank. Via de onzin die ik uitkraam volgt er een gesprek over zijn vermiste kat. Er bestaat geen beter moment om een gesprek te beginnen over de vermiste kat van de dokter. Het zou zo een mooie titel voor een kinderboek kunnen zijn. Dokter Rijksdaalder laat me door het gesprek weer een gelijkwaardig mens voelen in plaats van een haperende machine.
Aangezien Dokter Rijksdaalder ruim de tijd neemt voor een goed gesprek, durf ik nu wel aan te geven dat ik het heel fijn zou vinden om voor een plan te gaan waar we beiden blij van worden, omdat ik daar behoefte aan heb. ‘Ik neem even de verantwoordelijkheid door de beslissing te nemen dat jij eerst even lekker met je geplande vakantie gaat’ zijn de magische woorden van dokter Rijksdaalder ‘We gaan elkaar dus even helemaal niet zien en dan spreken we weer af na je vakantie en dan kijken we hoe we het verder aanpakken. Is dat een goed idee?’ Ik geef aan dat ik het een briljant idee vind, terwijl ik hem het liefst om zijn nek zou willen vliegen om hem te bedanken.
Er verdwijnen meteen wat van de zwarte wolken die boven mijn hoofd hingen. Ik mag wel weer pech hebben, maar mijn geluk zit ‘m weer in een Jackpotarts, de beste arts die ik me wensen kan in dit verhaal.
Na dit pittige gesprek stap ik in de auto. Op weg naar de Bijenkorf in Amstelveen.
Ik heb zojuist bedacht dat ik mijzelf ga verblijden met een mooie nieuwe handtas, want ik heb toch een extra tas nodig voor al die emotionele bagage die ik mee moet zeulen, niet waar?




Opmerkingen